Voor Jung is het psychische niet minder werkelijk dan het lichamelijke. Het is een wereld op zichzelf, door wetten beheerst, gestructureerd en met eigen uitdrukkingsmiddelen. Zelf zegt Jung daarover; ?Wie zich ertoe zet de menselijke ziel te gaan onderzoeken zal bemerken, dat die ziel tot het geheimzinnigste en minst duidelijke behoort, dat onze ervaring tegenkomt.? Het was de bedoeling van Jung dit psychische te onderzoeken als het orgaan waarover wij beschikken om de wereld en al wat is te doorgronden, en de verschijnselen van dit psychische te observeren, te beschrijven en in een zinvol verband te brengen.

Hierna volgt een kleine greep uit deze veelomvattende theorie.

Voor Jung is zijn psychologie gebaseerd op ervaring, niet op speculatie. De psyche van de mens bestaat uit twee elkaar aanvullende sferen, die echter tegenovergestelde eigenschappen vertonen, het bewuste en het onbewuste.
Deze gebieden vullen elkaar ook voortdurend aan. Aan beide gebieden neemt ons ik deel, als een bootje dat drijft op een meer, door Jung het ‘persoonlijk onbewuste’ genoemd. In dit ‘meer’ zijn al onze ervaringen, neigingen en indrukken, zowel positief als negatief, sinds de moederschoot opgeslagen. Sommige aspecten zijn we ons nooit bewust geweest, andere hebben we om bepaalde redenen verdrongen. Al realiseren we ons dit niet, toch kunnen al deze elementen een grote invloed hebben op hoe we in relatie tot onszelf en de wereld om ons heen staan. Het ‘meer’ van het persoonlijk onbewuste is verbonden met de grote oceaan, die Jung het ‘collectief onbewuste’ heeft genoemd. Daarin hebben volgens hem alle mensen, die ooit hebben geleefd, hun ervaringen nagelaten, van het meest instinctieve tot het meest verheven spirituele. Deze ervaringen zijn samengebald tot krachtige oerbeelden die Jung archetypen heeft genoemd. Jung ontwikkelde, aanvankelijk samen met Sigmund Freud, een genuanceerde visie op, en een hypothese van het onbewuste deel van de psyche van de mens. Voor Freud was daarin de seksuele drift de meest drijvende kracht in de mens. Jung was gaandeweg, mede door het onderzoek van psychiatrische patiënten en door eigen innerlijke ervaringen, de mening toegedaan dat het geestelijke in de mens ook als een sterke drift, als een hartstocht, in de psyche opdoemt. Als kenmerken geeft hij aan dat de uitwerking ervan prospectief (toekomstgericht) is en van nature de synthese zoekt (het “waartoe”, iets doen vanuit een intentie). In de gangbare wetenschapsbenadering wordt vooral onderzocht “waardoor” iets is ontstaan; retrospectief in plaats van prospectief. Het retrospectieve dwingt tot “uitpluizen”, tot analyse. Het prospectieve leidt onvermijdelijk tot het zoeken naar samenhang, tot synthese. Dit “waartoe” is voor Jung van wezenlijk belang in zijn psychologie en therapie. Het doorgronden en (her)beleven van wat tot het trauma (=psychische verwonding) aanleiding gaf, is op zijn minst gelijkwaardig aan het analyseren en begrijpen ervan. Dit is in de therapeutische behandeling echter voorwaarde voor het doel; dat de cliënt “kan worden wie hij of zij in wezen is”. (voor meer hierover zie : analytische therapie)