Uiterlijk zorgde het geschrift “Het geheim van de gouden bloem” van de sinoloog Richard Wilhelm, waar hij in 1928 kennis mee maakte, voor een enorme doorbraak. Het bevatte stukken die Jung in de gnostiek (geestelijke stroming die sinds de 1e eeuw na Chr. in Midden Oosten opkwam) vergeefs had gezocht. Het geheim van de gouden bloem is een taoïstische tekst uit de Chinese yoga, maar tegelijk ook een alchemistische verhandeling! Als vervolg daarop ging Jung zich in de Laat-Middeleeuwse westerse alchemie verdiepen, en van daaruit kon hij wel een verantwoorde link leggen naar gnostieke en christelijke symbolen. En daardoor ook naar de psychische ontwikkeling van de mens! Onderzoek van Jung in het onbewuste via menselijke innerlijke ervaringen wees namelijk uit dat dit niet alleen voor “religieuzen” gold, maar voor ieder individu dat een innerlijke ontwikkeling doormaakt (via meditatie, dromen, kunstbeoefening e.d.). Dat bracht Jung ertoe om te zeggen, dat naast de seksualiteit (Freud) en het machtsstreven (Adler) er zich een derde, overstijgend principe in ons onbewuste bevindt, dat ons onbewuste meer aanstuurt dan we denken, en dat is de geestelijke impuls. “Het geestelijke verschijnt in de psyche ook als een drift, ja als een ware hartstocht”. Hij zag dit als de tegenpool van de twee andere driften, die meer van biologische, dierlijke oorsprong zijn. Alchemisten zijn onderzoekers die zich met de verbinding tussen stoffen bezighouden. Eigenlijk “oer-scheikundigen”, die hoopten dat uit die verbinding een nieuwe stof, van een hogere en duurzame kwaliteit, zou ontstaan. Het liefst goud of zilver. Over de feitelijke resultaten doen verschillende verhalen de ronde, op het anekdotische af. Maar soms, zoals bij Nicholas Flamel of bij John Dee, leek het of het nog gelukt is ook. Jung zelf zegt hierover;

   “Het is boven elke twijfel verheven dat er nooit werkelijk tinctuur of kunstmatig
   goud is geproduceerd. Maar er was destijds niets dat de alchemist kon
   overtuigen van de zinloosheid van de onderneming; hij stond in een traditie!”


De belangrijksten onder de alchemisten echter zagen in, dat het werk in het laboratorium maar een deel van hun werk uitmaakte; ze waren met iets bezig dat voor die tijd volstrekt onbekend was in zijn uitwerking, en ze merkten dat ze er zelf sterk psychisch op reageerden; zo werd hun handarbeid en studie een innerlijke queeste die te vergelijken is met de fasen van de Chinese Yoga meditatie! Deze alchemisten noemden zichzelf dan ook filosofen en verklaarden; “aurum nostrum non est aurum vulgi” – ons goud is niet het gewone goud.