De drang tot het artistieke gaat al heel ver terug in de evolutie”. Jung zegt daarover;

    “Het creatieve leeft en groeit in de mens als een boom in de grond waaraan hij zijn voedsel afdwingt.
    We doen er daarom goed aan, het creatieve proces als een levend wezen te beschouwen
    dat in de ziel van mens is geplant.”


Met behulp van zijn eigen psychologische noties (zoals het archetype, het collectief onbewuste en de ‘participation mystique’) weet hij diep door te dringen in het geheim van de kunst, terwijl hij tegelijkertijd dat geheim intact laat. Wat in it verband een belangrijk onderscheid is, is dat tussen esthetiek en ethiek. Jung maakt in een van zijn belangrijkste geschriften, het ik en het onbewuste, een scherp onderscheid tussen een ‘menselijke’ en een esthetische beleving. De kunstenaar interpreteert en begrijpt zijn fantasieën wel, maar belééft hij ze ook? De (psychiatrische) patiënten van Jung moeten niet alleen hun fantasieën observeren, maar ze zich juist eigen maken. “Want het wezenlijke is niet in de eerste plaats het interpreteren en begrijpen van fantasieën, maar integendeel het beleven ervan”. De filosoof Nietzsche was volgens Jung een voorbeeld van iemand die niet in staat bleek om het esthetische met het belevingsaspect te verbinden, wat hem tot krankzinnigheid bracht. Het zou prachtig zijn als de kunst een instrument zou zijn om een confrontatie met de diepte van het onbewuste aan te gaan, en niet slechts zou dienen als een middel om die diepgang te ontvluchten. Voor Jung mist het puur esthetische “elke zedelijke motiverende kracht, omdat het in laatste instantie toch slechts een verfijnd hedonisme is” (hedonisme=genot is hoogste goed). Willen we verlost worden uit dit conflict, dan is een ethische houding noodzakelijk: zedelijke inspanning, offer-bereidheid en religieuze ernst (literatuur; Tjeu van den Berk: Eigenzinnig, kunstzinnig, uitg. Meinema, 2009)